Breuken optellen kan je op verschillende manieren doen en hoeft niet moeilijk te zijn

Eerst bekijken we hoe een breuk is opgesteld.
Bv. 1/2
1 is de deler
/ is de breukstreep
2 is de noemer
Als je aan de slag gaat met breuken optellen, moet je ervoor zorgen dat de noemers van alle breuken gelijk zijn.
De breuken gaan optellen met noemers welke al gelijk zijn:
vb. 1/2 + 1/2 = ?

Breuken optellen

Je gaat als volgt te werk:

  • je telt de delers bij elkaar op: 1 + 1 = 2
  • de som is gelijk aan het getal “2″ en dit wordt dus bovenop de noemer gezet
  • je krijgt als oplossing: 1/2 + 1/2 = 2/2

Breuken optellen met noemers die ongelijk zijn:
vb. 2/3 + 4/5 = ?

Je gaat als volgt te werk:

  • zoek het KGV (Kleinste Gemene Veelvoud) van de noemers
  • in dit geval is dat 15 omdat dat het kleinste getal is dat deelbaar is door beide noemers
  • je krijgt dus de som: 10/15 + 12/15 = ?
  • je telt de delers bij elkaar op: 10 + 12 = 22
  • de oplossing van deze ongelijke breuken is 22/15

Breuken optellen kan ook met meer dan twee breuken nodig zijn.
vb.1 1/3 + 2/3 + 3/3 = ?
Hier zijn de noemers al gelijk dus kan je gewoon beginnen met de breuken optellen.
1 + 2 + 3 = 6
De oplossing is dus 6/3.

vb.2 1/2 + 2/4 + 3/5 = ?

Hier zijn de noemers ongelijk dus voor je kan beginnen met de breuken optellen, moet je eerst weer alle noemers gelijk maken. Eerst zoek je weer het KGV. In dit geval is het KGV “20″ omdat dat het kleinste getal is dat deelbaar is door alle noemers van de oefening. De oplossing van deze oefening wordt 10/20 + 10/20 + 12/20 = 32/20 Hieronder vind je nog enkele oefeningen zodat alles in de praktijk nog is extra wordt getoond zodat je kan beginnen met breuken optellen:
5/2 + 10/3 = 15/6 + 20/6 = 35/6
1/3 + 5/3 + 7/6 = 2/6 + 10/6 + 7/6 = 19/6
25/60 + 42/60 = 67/60
Als je nog een stapje verder wil gaan dan enkel de breuken optellen, kan je de uitkomsten ook nog vereenvoudigen.
vb. 1/2 + 5/3 = ? Je zet alles eerst op gelijke noemer voor je begint met breuken optellen: 3/6 + 10/6 = 13/6
De uitkomst kan je vereenvoudigen: 13/6 worden “twee gehelen + 1/6″ = 2 1/6. De twee gehelen komen van 13. 6 kan twee keer in 13 maar 6+6=12 dus heb je een rest van 1 die ervoor zorgt dat uw uitkomst 2 1/6 is.