Breuken optellen oefenen

Oefenen van breuken optellen

Breuken

Voor veel leerlingen zijn breuken erg lastig. Ingewikkelde constructies om te begrijpen en al helemaal ingewikkeld om ermee te rekenen. Gelukkig zijn er tal van manieren om hiermee te oefenen.

Breuken optellen oefenen

Breuken optellen oefenen

Om breuken optellen te oefenen, is het eerst belangrijk dat leerlingen begrijpen hoe de breuken in elkaar zitten. Breuken zijn stukjes van een geheel en bestaan uit twee delen. Namelijk de noemer, het getal onder de streep, die aangeeft hoeveel stukjes er in totaal zijn. Tevens is er de noemer, het getal boven de streep, die aangeeft om hoeveel stukjes het in dit geval gaat. Voor veel leerlingen is een pizza of een taart een duidelijk voorbeeld. Je snijdt een taart in 4 gelijke stukken, ieder stuk van deze taart is 1/4.

Regels voor breuken optellen

Breuken optellen oefenen voor breuken met gelijke noemers is makkelijk, leer dat je het aantal stukjes (dus de tellers) bij elkaar optelt en je hebt het juiste antwoord. Om breuken optellen te oefenen met ongelijke noemers, dus ongelijknamige breuken, is iets lastiger. Hiervoor is het belangrijk om eerst te leren hoe breuken gelijknamig gemaakt moeten worden. Wanneer ze gelijknamig gemaakt zijn, kunnen ook gewoon weer de tellers bij elkaar opgeteld worden.

Gelijknamig maken van breuken

Een belangrijk aspect om breuken optellen te oefenen is het gelijknamig maken van breuken. Doe dit door een getal te zoeken dat in de tafel van beide noemers te vinden is. Bij de breuken 1/2 en 1/3 kun je bijvoorbeeld het getal 6 nemen, dit zit in allebei de tafels. Vermenigvuldig hiervoor de teller van 1/2 met 3 (want 2*3=6) en de teller van 1/3 met 2 (want 3*2=6). De resterende som is dus 3/6 + 2/6 = 5/6